Bleekkopparkiet of Bleekkoprosella (P. adscitus pallicpes)

De kleur van man en pop is gelijk. Keel, borst en buik hemelsblauw, evenals de slagpennen van vleugels en staart; onderstaartdekveren rood. Mantelveren zwart met gele randen (geschubd).
Beide seksen hebben een zwarte schoudervlek, die bij de man veelal iets groter schijnt te zijn dan bij de pop. Verder hebben de vogels witte wangvlekken, die aan de onderzijde blauw omzoomd zijn. De stuit is grasgroen en vaag zwart gestreept, terwijl de onderstaartveren rood gekleurd zijn.
Ogen donkerbruin, snavel grijsgeel, poten donkergrijs.

De lengte is: 30-33 cm; vleugels 14-16 cm; staart 14-17 cm.


Geslachtsonderscheid:
Mannen en poppen zijn moeilijk van elkaar te onderscheiden.
Zoals reeds eerder opgemerkt hebben mannen veelal een iets grotere zwarte schoudervlek. Verder wordt ook wel verondersteld dat de man een bredere nek en grotere ogen heeft dan de pop.
Soms is de pop iets minder scherp van kleur en tekening. Alleen aan de grotere en afgeplatte kop van de man zouden we de vogels kunnen seksen, maar dan nog alleen als we vergelijkingen kunnen maken met meer vogels.

Land van herkomst: het noordelijke en oostelijke gedeelte van Queensland tot het noorden van Nieuw-Zuid-Wales  en Zuidelijk tot Sidney.

In Noordelijk Queensland komt een ondersoort voor, de Platycerus adscitus amathusiae, die blauwe wangvlekken bezit en een gele vlek op de borst. Hij is kleiner van stuk.

De nominaatvorm werd vroeger onder de wetenschappelijke naam P. palliceps beschreven; deze naam werd veranderd in P. adscitus, een Latijns woord dat 'nieuw, overnemen, opnemen' betekent. In het wild komen deze vogels paarsgewijs of in kleine groepjes voor en leven bij voorkeur in open bossen. Er zijn in het wild verschillende vogels die rood in de veren van de kop hebben; waarschijnlijk zijn dit kruisingsuitslagen van de paring bleekkoprosella en de 'gewone' rosella. Hun roep is nogal hard.

Het popje legt in een holte van een boom of boomstronk 4-6 witte eieren (27 x 22,5 mm) en bebroedt die vanaf september tot in december en bijna steeds na het regenseizoen, m.a.w. praktisch het gehele jaar. In de voliere beginnen ze erg vlug met broedblokken te inspecteren; reeds in februari. Het broeden verloopt doorgaans zonder moeilijkheden; ook als pleegouders voldoen ze goed. Het is jammer, dat importvogels aan darmstoomissen lijden en erg moeilijk zijn te acclimatiseren. Eenmaal aan ons klimaat gewend zijn het sterke vogels die heus tegen een stootje kunnen. Op grond van eigen ervaringen lijkt het ons verstandig om de vogels tijdens de wintermaanden in een licht verwarmd vertrek onder te brengen. Toch zu1len ze - eenmaal aan weer en huisvesting gewend - gemakkelijk twee broedsels per jaar groot willen brengen. Het ligt voor de hand,  dat er bij zo gemakkelijk broedende vogels vele kruisingen tot stand kunnen worden gebracht; er zijn dan ook bastaarden bekend van bleekkoprosella's met: pennants, prachtrosella's, Stanley rosella's, Brown's rosella's, Port Lincoln parkieten, Blue Bonnets, bamards, roodkop- en roodrugparkieten.

Ondervinding heeft ons geleerd, dat vooral de jonge vogels zeer vriendelijk worden, ook lang niet zo onrustig zijn dan pas ingevoerde vogels die aanhoudend schreeuwen en de boel op stelten zetten.

We mogen, tenslotte, niet vergeten te vermelden, dat de borelingen broed-kasten prefereren waarin een laagje molm, turf e.d. is aangebracht.

Voordat de eieren word en gelegd, zal de pop druk in de weer zijn om de spaanders e.d. te beknagen en op orde te rangschikken. Is ze hiermee klaar dan kunt u het eerste eitje na enkele dagen reeds verwachten.



Telefoon:06-33788007

E-mail: info@speciaalclub.nl

Bleekkoprosella

Bleekkop rosella

Introductiepagina Rosella's | Geelbuikrosella | Pennantrosella | Strogele rosella | Bleekkop rosella | Adelaide rosella | Prachtrosella | Stanley Rosella | Browns Rosella | Blauwwangrosella

Speciaalclub Exoten en Parkieten